Mijn twee ontmoetingen met Primo Levi

Primo Levi en Daniela Amsallem spraken elkaar tweemaal, op 15 juli 1980 in Levi’s appartement in Turijn, en kort op 21 november 1986, enkele dagen voor zijn dood, tijdens een congres over deportatie. Voor deze tekst werden lange passages vertaald waarin Levi en Amsallem een waaier aan onderwerpen be...

Descrición completa

Gardado en:
Detalles Bibliográficos
Publicado en:URI:https://journals.openedition.org/temoigner,
Autor Principal: Amsallem, Daniela
Formato: Article ou chapitre numérique
Idioma:Hollandais
Publicado: Témoigner. Entre histoire et mémoire 2015
Sujets:
Acceso en liña:Accès Université d'Orléans et IFPM
Accès Université d'Orléans et IFPM
Descripción
Résumé:Primo Levi en Daniela Amsallem spraken elkaar tweemaal, op 15 juli 1980 in Levi’s appartement in Turijn, en kort op 21 november 1986, enkele dagen voor zijn dood, tijdens een congres over deportatie. Voor deze tekst werden lange passages vertaald waarin Levi en Amsallem een waaier aan onderwerpen bespreken. Zo hadden ze het over de rationele en afstandelijke toon in Is dit een mens, of de houding van de auteur tegenover het lijden en tegenover God. Levi durfde zich geen atheïst te noemen omdat hij Gods bestaan niet ontkende; zijn interesse in de wetenschap was eenvoudigweg gaan doorwegen, en de theorie van Darwin had de wet van Mozes vervangen. Gevraagd naar zijn mening over wat men het ‘overlevingscomplex’ noemt, verduidelijkte Levi dat het voor hem ging over een vorm van ‘lijden’ die ontstaat wanneer je vrienden niet terugkeren. Echter, zo merkte hij op, dankzij die ‘extreem pijnlijke maar kostbare’ ervaring beschikte hij over een ‘vreemd vermogen tot spreken’ en kon hij ‘de wereld beter begrijpen en analyseren’. Als ‘rationeel en niet-gelovig man’ onderstreepte hij zijn geloof in de rede, en verklaarde hij pessimistisch te zijn in zijn ideeën en optimistisch in zijn handelingen, wanneer het ging over zijn vertrouwen in de mens na Auschwitz. Levi verwees ook naar zijn gesprekken met jongeren. Dat vond hij een noodzakelijke opdracht, die hem steeds moeilijker viel omdat hij tijdens zijn schoolbezoeken een ‘verschuiving’, een zekere ‘dwaling’ bemerkte: de jongeren toonden een ‘archeologische’ interesse in de Tweede Wereldoorlog en de deportatie, ze zagen het verhaal als een roman. Ondertussen waren we ‘immers twee generaties verder’. In 1980 vertelde hij ook een anekdote die later in De verdronkenen en de geredden opnieuw zou opduiken, zijn spiritueel testament dat hij toen al aan het opstellen was: een jonge scholier die aandachtig naar hem had geluisterd, had op het schoolbord een plan getekend om uit het kamp te ontsnappen. Daarop zei de jongen heel zelfzeker: ‘Dan weet u het alvast voor de volgende keer!’