De institutionele toekomst van Brussel
Organisatie van meertalig onderwijs in het Gewest, ontplooiing van multiculturele activiteiten en coherent beheer van de gewest- en gemeenschapsbevoegdheden zijn voorbeelden van de vele beleidsmaatregelen die moeilijk kunnen worden genomen binnen het huidige Brusselse institutionele landschap. De – ...
Enregistré dans:
| Dans: | URI:https://journals.openedition.org/brussels, |
|---|---|
| Auteurs principaux: | , , , |
| Format: | Article ou chapitre numérique |
| Langue: | Hollandais |
| Publié: |
Brussels Studies
2016
|
| Sujets: | |
| Accès en ligne: | Accès Université d'Orléans et IFPM Accès Université d'Orléans et IFPM |
| Résumé: | Organisatie van meertalig onderwijs in het Gewest, ontplooiing van multiculturele activiteiten en coherent beheer van de gewest- en gemeenschapsbevoegdheden zijn voorbeelden van de vele beleidsmaatregelen die moeilijk kunnen worden genomen binnen het huidige Brusselse institutionele landschap. De – min of meer radicale – hervorming van dat landschap wordt dus regelmatig ter sprake gebracht. Brussels Studies wenst het debat over de institutionele toekomst van Brussel op gang te brengen op basis van een op grote schaal verspreid document dat vrij radicale oplossingen aanreikt: het Brussels Manifest (http://www.manifestobru.be). De auteurs van het Brussels Manifest reiken evenwel geen institutioneel model “sleutel op de deur” aan, maar ze staan voor een federaal bestel dat sterk op de gewesten steunt. Op 19 maart jongstleden werd hierover een colloquium gehouden, waarvan de handelingen dit nieuwe nummer van Brussels Studies vormen. Ze zijn naar gewoonte vertaald in drie talen. Nieuw is dat er langere teksten van bepaalde auteurs, die niet vertaald werden, bijgevoegd zijn. Alain Maskens, voorzitter van de vzw Manifesto en coauteur van het Manifest, treedt in dialoog met twee grondwetspecialisten: Nicolas Lagasse (FUSL) en Jeroen Van Nieuwenhove (KULeuven). Hugues Dumont (FUSL – coauteur van Brussels Studies nr. 10), eveneens een grondwetspecialist, trekt de conclusies uit die dialoog.In de dialoog botsen sterk uiteenlopende visies op de toekomst van het Gewest met elkaar. Alain Maskens, promotor van het Manifest, staat voor een doorgedreven regionalisme dat de gemeenschappen enkel nog bevoegdheden laat op het vlak van de culturele promotie van een taal, met uitsluiting van onderwijs, persoonsgebonden aangelegenheden en cultuur. Op de tweede plaats eist hij dat de grenzen van het Brussels Gewest worden herzien of dat er op zijn minst grote stappen met het oog op de oprichting van een stadsgemeenschap (cf. Brussels Studies nr. 11) worden gedaan. De ondertekenaars van het Manifest doen het zeer originele voorstel om het onderscheid tussen de grenzen van de deelgebieden en de grenzen van de taalgebieden ernstig te nemen. Een uitbreiding van het Brussels Gewest zou bijgevolg de eentaligheid van de gemeenten “zonder taalfaciliteiten” niet ter discussie stellen. Op de derde plaats wijst Alain Maskens op de chronische onderfinanciering van het Gewest en vraagt hij om het Gewest van die financiële wurggreep te bevrijden. Ten slotte roept hij op tot tweetalige kieslijsten voor het Brussels Gewest. Daartoe beveelt hij aan om een einde te maken aan de taalaanhorigheid van de kandidaten. Dan zouden tweetalige kieslijsten mogelijk worden, maar zouden de Vlaamse Brusselaars hun gewaarborgde vertegenwoordiging in het Brussels Parlement verliezen.Nicolas Lagasse neemt de doelstellingen van de auteurs van het Manifest – de organisatie van tweetalige en meertalige culturele activiteiten, tweetalig onderwijs en een performant werkgelegenheidsbeleid – onder de loep. Hij vraagt zich af of de voorgestelde oplossingen adequaat zijn. Na zijn onderzoek komt hij tot de slotsom dat die doelstellingen beter bereikt kunnen worden via een geleidelijke evolutie van de huidige structuur dan via de radicale hervormingen die in het Manifest worden voorgesteld. Hij vindt trouwens dat ze moeilijk geconcretiseerd kunnen worden. Hij is voorstander van de methode van opeenvolgende geleidelijke hervormingen op basis van wat reeds verworven is. Hij stelt zelfs voor om de bevoegdheden van de gemeenschappen uit te breiden door de grondwettelijke bepaling volgens welke ze hun acties tot hun taalgebied moeten beperken, te schrappen. Als men een einde wil maken aan de culturele verzuiling in België, dan moet iedereen kunnen investeren in biculturele activiteiten. Hij stelt zelfs voor om de SintKwintensakkoorden, die bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan de Franse Gemeenschapscommissie (Cocof) hadden overgedragen, te herzien. Volgens hem zou een herschikking van de gemeenschapsbevoegdheden en de afschaffing zonder meer van de Cocof de coördinatie en de coherentie van het beleid verbeteren.Jeroen Van Nieuwenhove wijst erop dat veel voorstellen in het Manifest vaag blijven. Bovendien zijn een aantal ervan onaanvaardbaar voor de Vlaamse politici, omdat ze in strijd zijn met de compromissen waarvoor ze hebben gestreden, of omdat ze haaks staan op hun visie op België en de betrekkingen tussen de deelgebieden. Volgens hem is het ondenkbaar om de grenzen van het Brussels Gewest te wijzigen, zodat het economisch hinterland van Brussel in het Gewest wordt geïntegreerd. In hun eisen hebben de Vlamingen steeds aangedrongen op eentaligheid op het grondgebied van de verschillende deelgebieden. Het idee om het gewestelijk grondgebied en het taalgebied van elkaar los te koppelen zou volgens Jeroen Van Nieuwenhove dan ook nooit goedgekeurd worden door de Vlaamse politici. De afschaffing van de gewaarborgde vertegenwoordiging van de Vlaamse Brusselaars zou volgens hem de banden met Vlaanderen, een van de laatste obstakels voor het separatisme, doorsnijden.Ten slotte stelt Hugues Dumont in zijn conclusies de vraag of de voorstellen in het Manifest in de praktijk haalbaar zijn. Ze staan haaks op het streven van de Franstalige politici om een sterke band tussen Brussel en Wallonië te behouden en zijn volledig in strijd met heel wat opvattingen van de Vlaamse politici. Een reeks fundamentele voorstellen lijken dan ook moeilijk realiseerbaar. Dat betekent volgens hem niet dat we fatalistisch moeten zijn. Hij wijst op vijf hervormingen die volgens hem een haalbare kaart zijn: de afschaffing van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de overdracht van haar bevoegdheden aan het Brussels Gewest, de opheffing van het verbod voor de gemeenschappen om bi- of multiculturele activiteiten te subsidiëren, de overdracht aan het Brussels Gewest van de wetgevende bevoegdheid inzake biculturele aangelegenheden van regionaal of lokaal belang, de toewijzing aan het Gewest van de bevoegdheid om tweetalig onderwijs te organiseren en, tot slot, de afschaffing van de Cocof als gezagsniveau. |
|---|